Zondag 27 september 2020, 08u20. Watergladde ring rond Antwerpen. De schrapende ruitenwissers die de stortregen telkens wegduwen, bezorgen me een déja-vu gevoel: op 9 september 2017, om 04:45 u., volg ik op de kletsnatte ring rond Almere de wagen van clubgenoot Xavier. Het stormt, de buitentemperatuur geeft zes graden aan en ik ben op weg naar het startdorp van de Iron Man in Almere.

Ook nu is Almere mijn bestemming. Om 11:37 u start ik er in de 34ste editie van de monstertijdrit. Geen geknetter in mijn hersenen deze keer. Frank Deboosere voorspelt dat er vanaf het noordoosten opklaringen op komst zijn en dat de stormwind gaat liggen. Zou ook hij zijn mosterd halen bij buienrader, weeronline en andere accuweathers, die ik de jongste dagen veelvuldig geraadpleegd heb? Ik geniet van de rust in mijn hoofd, ook omdat ik een prima voorbereiding achter de rug heb. Sinds de metingen van 2014 zal ik tijdens de maand september mijn hoogste maandvolume ooit gedraaid hebben: 1.613 km. In mijn donkergroene zone kon ik drie dezelfde tijdrittrainingen van exact 150 km aan 31,0, 31,2 en 32,8 gemiddeld afwerken. Tussen Temse en Terneuzen voelde ik wekelijks de tonus in mijn quadriceps en kuiten toenemen, dankzij de inlassing van vier weken loop- en zwemrust. Tegelijk neem ik de ervaring van vijf eerdere deelnames in mijn sportrugzakje mee. Let wel: tussen 2012 en 2016 bedroeg de afstand amper 123 km. Meer recent werd na een parcourswijziging richting Zeewolde de afstand verhoogd naar 138 km. Zoals steeds ga ik voor de beleving en een veilige aankomst. Mijn echte doel is om het monster te verslaan aan minstens 35 km/u en elke ronde van 34,45 km binnen het uur door te komen.

Maar net voor de start overvalt mij parcourskennisstress. Hoewel mijn tijdritcopain Jeroen Scheerder mij de avond voordien heel geduldig het vierkantenparcours via Skype toelichtte, ben ik net voor de start plots verward over de rijrichting. Mijn visueel geheugen is soms een zeef en plots lijken alle wegen in Flevoland dezelfde (wat ook zo is). Daarom luister ik aandachtig naar een van de organisatoren, die op een grote pancarte mij nog eens – “Nou, jij hebt hier toch al eerder deelgenomen?” – de voor mij nieuwe strook op het parcours, de bevoorrading en de vier bochten die we in wijzerzin nemen toelicht.

Hierdoor ben ik al een tiental minuten fietsend aan het ijsberen in de startomgeving. Nummer 37 zal vandaag geen Fons Dewolfje of Pedro Delgadoke meemaken! Voor de jongere lezer of wielersportanalfabeet: deze twee renners daagden te laat aan de start op, waardoor hun tijdrit afgelopen was nog voor die moest beginnen. Slecht nieuws: de Serviër, Duitse en Duitser die telkens een minuut voor mij zouden starten, blijken in hun vertrouwde coronabubbel te zijn gebleven. Daar gaan mijn mikpunten. Ik pols het bodybuilderpostuur in korte mouwen met nummer 38 op zijn tijdrithelm en peperdure S-Works tijdritfiets vol gelletjes gepropt, naar zijn ambities. Pas nadat ik mijn vraag nogmaals en op een andere manier geformuleerd heb, antwoordt hij me kort en half negerend “36 à 37 km/u gemiddeld”, om zich daarna tot zijn vriend aan de overkant van de weg te richten.

Ik sta wat gespannen maar gefocust aan de start. Een adrenalineshot maakt mijn start iets vinniger dan gepland. Aan 90 toeren en 38 km/u vind ik in de eerste zijwindstrook het goede ritme. Tijdrijden = toeren, toeren, toeren. Na zes kilometer raam ik bij het uitgaan van de eerste bocht dat nummer 38 al veertig seconden genaderd is. Zoals verwacht haalt hij mij twee kilometer later in. Ik blijf keurig op dertig meter, maar voel dat ik dit ritme niet lang kan en mag volhouden. Ondanks mijn positieve gevoel word ik even later ingehaald door de tijdrijder die twee minuten na mij gestart is. Tijdens de rechte strook van negen kilometer wind op kop plakt nummer 38 veel te dicht aan het wiel van nummer 39. Ik kijk machteloos toe. Of moet ik het beschouwen als een teken van de wielergoden? In een vorig leven kon ik ook stayeren als de besten. Tot ik in de monstertijdrit van 2013 tot de orde geroepen werd. Een wake-up call die kon tellen: vanaf dan leefde ik strikt de non-drafting regels na. Hoe dan ook: de stippen voor mij worden stipjes, om dan helemaal uit het vizier te verdwijnen.

Onvermijdelijk denk ik nu opnieuw aan mijn neef en sporttalent Kasper, die op 9 maart 2020 eensklaps uit dit leven verdween. Wanneer concurrenten van zijn beukwerk profiteerden door binnen de tienmeterzone zijn zog op te zoeken, kreeg hij het op de heupen. Toen het stayeren tijdens het BK halve triatlon in Eupen de spuigaten uitliep gaf hij, ondanks het vooruitzicht van een dichte ereplaats, gedegouteerd op. In het fietsonderdeel van een triatlon vocht hij altijd als een leeuw en was hij gevreesd voor zijn snelheid en berucht voor zijn bochtenwerk. Wie kon vlugger fietsen na het zwemonderdeel en voor het loopluik dan Kasper? De beelden van de begenadigde tijdrijder Kasper, die mij op kop in een triatlon dwarste of dubbelde, blijven voor eeuwig en altijd op mijn netvlies gebrand. Gullegem 2016, Kapelle-op-den-Bos 2017, Geel 2019,… Of de 111-triatlon (1 km zwemmen, 100 km fietsen en 10 km lopen) in Jabbeke 2019? Voor de start gaf Kasper me pesterig mee dat hij mij zou dubbelen, al zou het kantje boordje zijn. Hij hield woord. Een kilometer voor zijn loopwissel en 21 kilometer voor mijn loopwissel passeerde eerst de wedstrijdmotor met groene vlag, daarna de leider in de wedstrijd, Kasper Lagae. En dat ondanks een val, want zijn verkreukeld triatlonpakje en besmeurde rechterkant sprongen onmiddellijk in het oog. Net als zijn extreme focus: in het heetst van de strijd was er nooit tijd voor een zotte opmerking.

Ook vandaag flitst Kasper op de meest (on)mogelijke momenten door mijn hoofd. Wanneer de gelukshormonen door mijn hersenen razen – zo blij dat ik deze editie van de monstertijdrit opnieuw mag meepikken – mijmer ik over de vele sportervaringen die Kasper nu mist en waar hij ook zo aan verslaafd was. En wanneer ik de laatste drie kilometer nog eens alle zeilen wil bijzetten, kijkt hij over mijn schouder mee. Al ziet hij dat het veel sneller kan, toch voel ik zijn respect. Maar waarom toch is het gelopen zoals het gelopen is? Onwezenlijk.

Tijdens de monstertijdrit 2020 kan ik mijn prima startgevoel aanhouden. Ik maal vlug kilometer na kilometer. “De tijd vliegt snel, hebruikt ém wél”, scandeerde ik samen met de leerlingen in het tweede leerjaar op het ritme dat meester Noël in Lendelede aangaf. Tijdens het eerste fietsuur leg ik 35,7 kilometer af. Mijn tweede en derde uur respectievelijk 35,5 en 35,1 kilometer. Mijn tijdrittactiek is eenvoudig: zodra ik boven de 92 toeren fiets, mag ik een tandje bijsteken en beneden de 88 toeren een tandje minder. Ter info: Victor Campenaerts reed zijn werelduurrecord aan een gemiddeld toerental van 104,8.

Het is stil in Zeewolde, een van de zes gemeenten in Flevoland. Sinds de parcourswijziging vindt de monstertijdrit officieel niet langer in Almere, maar in Zeewolde plaats. Zeewolde werd drooggelegd in de jaren zestig van de twintigste eeuw en bestrijkt een oppervlakte van bijna 250 vierkante kilometer. Nog volgens Wikipedia wordt een mannelijke inwoner van Zeewolde een Zeewoldenaar genoemd, terwijl voor vrouwen meestal de term Zeewoldese gebruikt wordt. Hoeveel Zeewoldesen en Zeewoldenaren wonen er in de vijf hoeven langs het parcours? En hoe staan ze tegenover de covid-19 anderhalfmeterregel?

Social distancing is alvast tijdens de monstertijdrit geen issue, want je rijdt tegen de klok moederziel alleen in niemandsland. Om de drie, vijf of tien kilometer haalt mij iemand met dezelfde afwijkende sportpassie in. Twee Vlaamse tijdrijders moedigen mij tijdens het voorbij poweren met de voornaam aan. Dank voor de steun jonge jongens, groeten terug. Willen we later, met iets meer tijd en boterhammen, onze conversatie weer oppikken? Op het truitje van een van die twee dertigers lees ik Everberg. Ik pieker er kilometers over of Everberg nu dichter bij Brussel dan bij Leuven ligt. Die denkoefening stokt bruusk, wanneer een vrouwelijke tijdritcollega mij aan kilometer 75 inhaalt. Ik kom even uit mijn tijdritbubbel wanneer ik onderkant rug, of schrijf ik bovenkant achterwerk?, de sponsornamen KVISK en Sint-Niklaas ontwaar. Wat zou het merk KVISK betekenen? Heb ik het in volle bewustzijnsvernauwing wel correct gelezen? Tijd voor zelfspot: sportmarketeer Wim Lagae is weer @work.

Nu wil en moet ik, van op twintig meter afstand, dit strakke tempo kunnen aanhouden. Het gaat immers vooruit en ik flirt met de rand van mijn comfortzone. Na een viertal kilometer kopwind beuken aan 33-34 gemiddeld, voel ik mijn hamstrings tegenpruttelen. Ik volg mijn ratio,schakel twee tandjes terug en zoek de negentig toeren op. Door dit intermezzo heb ik nu wel een witte stip mooi in het vizier gekregen. Is dat niet die kerel die mij 25 kilometer geleden voorbijsnelde? De laatste vijftig kilometer zal ik mij blijven fixeren op die witte trui. Ik zal helaas nooit dichter komen dan twintig seconden op mijn zwart beest maar ook niet meer dan vijftig seconden achterstand hebben. Zelf gechronometreerd en dat in volle wedstrijd. Wie durft nu nog zeggen dat mannen niet kunnen multitasken?

De honderdkilometermuur breek ik in 2u48. Mijn mentale finish heb ik aan kilometer 125 gelegd. Ik kom hier door aan 35,3 gemiddeld. Richting finish nog negen kilometer rugwind en vier kilometer zijwind. Op de rugwindstrook haal ik niet meer het 41-42 tempo van de vorige rondes en blijf ik lang op 38 gemiddeld steken. Voor de fun wil ik nog eens 40 zien verschijnen op mijn Garmin. En het lukt ook voor eventjes. De laatste zijwindstrook wil ik er nog even alles uitpersen en haal ik mijn hoogste hartslagwaarden van de dag, resultaat van mijn goede benen en efficiënt voedingsschema, met ongeveer 60 gram vlugge suikers per uur.

Net over de aankomstmat druk ik mijn Garmin af. Om de spanning er in te houden, had ik de laatste 15 kilometer niet meer naar mijn gemiddelde gekeken. 35,3 gemiddeld: doelstelling bereikt. De controlefreak in mij vraagt de vrijwilliger achter de laptop naar de tijd van nummer 37. Omdat ik geen gepiep gehoord had tijdens mijn vier passages over de start- en aankomstmat vreesde ik dat de transponder aan mijn voorvork niet functioneerde. Oef, ook 35,3 gemiddeld. Met een gerust hart en grootste zelfvoldoening fiets ik naar mijn wagen. De 3u54 aan een gemiddelde hartslag van 157 (nog oranje zone) zijn letterlijk voorbijgevlogen.

We staren ons niet blind op de 65ste plaats op 77 finishers en 85 starters. Tussen de acht bruggepensioneerde 56-plussers sta ik op het podium: twaalf minuten na een Deen van 59 jaar en zeven minuten na een Nederlander van 60 jaar. Met een gemiddelde van exact 35,29 km/u over 137,8 km kan ik met opgeheven hoofd mijn vrienden-wielertoeristen onder ogen komen in café ’t Sleutelhof. Ik kijk vol ongeduld uit naar onze postcorona after cycling discussies.

Voor wie de volledige uitslag nog eens wil bekijken kan dit hier: Uitslag monstertijdrit 2020

Enkele weken terug was Wim Lagae ook te gast in de Jogclub Podcast; zeker het luisteren waard!
🔗
Spotify: https://open.spotify.com/episode/5sah5L1F9ZLYP2gnoFaoGF…
🔗
Soundcloud: https://soundcloud.com/robrecht…/de-jogclub-56-wim-lagae